Ik merkte het niet in één keer. Het zat in kleine dingen. In woorden die telkens bleven terug komen. Op verpakkingen, in reclames, op potjes in mijn eigen badkamer.
Anti-rimpel. Herstellend. Verjongend. Alsof mijn huid voortdurend ergens van moest herstellen, ook als er niets aan de hand was.
Pas toen ik tallow ging gebruiken, viel het me op hoe luid die taal eigenlijk is. Tallow zei niks. Er was geen probleem dat eerst benoemd moest worden. En juist doordat dat ontbrak, begon ik scherper te zien wat er wél overal aanwezig was.
Een rimpel is geen probleem.
Tot iemand hem zo is gaan noemen.
Een droge huid is niet persé tekort. Tot er een oplossing tegenover wordt gezet.
Dat is het moment waarop betekenis verschuift. Wat eerst gewoon een huid was, werd iets om aan te werken. Iets dat beter kan. Niet omdat er iets mis is, maar omdat het zo wordt geframed.
Cosmetica-merken zijn daar extreem goed in. Door onzekerheid te creëren, en die feilloos te benutten. Door woorden te blijven herhalen. Door beelden te laten zien die net iets verder gaan dan haalbaar. Door ‘beter’ zo normaal te maken dat niemand zich nog afvraagt waar we eigenlijk mee bezig zijn.
Tallow doet daar niet aan mee. Het voedde mijn huid zonder haar eerst te beoordelen. Geen tekort verpakt in een mooi verhaal. En dat maakte iets zichtbaar: hoe gewend we zijn geraakt aan het idee dat verzorging begint bij tekort.
Het was niet mijn huid die tekortkwam, maar het verhaal eromheen.
En misschien geldt dat dat mechanisme groter dan huidverzorging alleen.
